Het gedicht van binnenuit

– over het effect van de voordracht
Als Ilja Leonard Pfeijffer voordraagt, ontstijgen zijn gedichten het papier. Wat tijdens het lezen nog stugge, moeizame verzen leken te zijn, worden op het podium welluidende, bijna frivole mededelingen. Een effect dat nog versterkt wordt door de wijze waarop hij zijn poëzie voordraagt, hij kruipt bijna in zijn gedichten, gebruikt stemverheffingen, staat soms op zijn tenen en maakt allerlei begeleidende arm- en handgebaren. Pfeijffer komt op een podium tot leven, zijn gedichten lijken er thuis te horen, alsof ze er speciaal voor geschreven zijn.
Hij was hier zelf blijkbaar onkundig van, toen hij zijn inmiddels doodbesproken artikel: De mythe van verstaanbaarheid (Bzzltin, nov. 2000) het levenslicht liet zien. Zijn daarin opgeworpen rucksichlose tweedeling in podiumdichters met hun begrijpelijke- en papierdichters met hun ‘superieure’ onbegrijpelijke gedichten kon, op een starre enkeling na, op weinig weerklank rekenen. Even leek er een ware literaire donderstorm te heersen in de verloren hoekjes van de media, waar het literaire nieuws nog af en toe wordt verslagen.
Nu de poëticale taartsmijterij inmiddels weer is afgezwakt tot het beleefd uitwisselen van Mariakaakjes en bokkepootjes, wordt het tijd een voorzichtige balans op te maken. Pfeijffer nam tijdens het openbaar poëziedebat van TUMULT op 18 april in Utrecht zijn zwart-witte woorden grotendeels terug met de woorden: “Ik weet ook wel dat het niet zo is (die rucksichlose tweedeling – RvG), maar het was waar voor de duur van het artikel.” En creëerde daarmee en passant een nieuwe vorm van waarheid: tijdelijke waarheid.
De dichters die door Pfeijffer waren beticht van specifieke podiumschrijverij hebben deze mythe inmiddels luid en duidelijk naar het rijk der fabelen verwezen.
Alleen het literair journaille moet daar nog een persbericht van krijgen. Dat blijft volharden in het creëren van niet-bestaande podiumpoëzie en bijbehorende podiumdichters. Zij lijkt nog niet zo goed raad te weten met dichters wier werk op een podium een tweede leven leidt, naast dat in de dichtbundels. Zij blijft volharden in het lezen alleen als de enige waarheid van poëzie

Effectbejag

Pfeijffers tijdelijke “Hun gedichten (die van zijn podiumdichters – RvG) worden op het podium geboren” heeft zich in de journalistieke hoofden vastgezet, ondanks het inhoudsloze gehalte ervan. Het is natuurlijk ook veel gemakkelijker, zoals Volkskrantrubricist Peter Swanborn tijdens het TUMULT-debat al aangaf, te doen alsof het wel zo is. Het leidt tot een overzichtelijke, zelfgecreëerde wereld, waarin er dichters zijn die louter en alleen voor het papier schrijven en dichters die dat exclusief voor het podium doen. Vervolgens is het dan makkelijk mythen creëren; deze podiumdichters schrijven natuurlijk specifiek voor het podium bedoelde gedichten. Gedichten vol effectbejag, die het immers zo goed ‘doen’ bij het grote publiek. Het is nog altijd niet doorgedrongen dat stemverheffing, armgebaren, fluisteren, schreeuwen, videobeelden en bombastische- of verstilde begeleidingsmuziek, effecten zijn die pas óp het podium ontstaan, en niet tijdens het schrijven van de gedichten waarop ze toegepast worden. Effecten die ook bij ieder willekeurig gedicht van, zomaar een voorbeeld, Esther Jansma toegepast zouden kunnen worden. Het feit dat er de laatste jaren een behoorlijke groep dichters bij is gekomen die zich op een groeiend aantal podia met verve weet te presenteren maakt het er ook niet simpeler op allemaal. Daarom, nog even voor alle duidelijkheid: In Nederland opereren er, voorzover bekend, tot op heden geen dichters die specifiek gedichten voor het podium schrijven. Dat dit misschien in de toekomst gaat veranderen met de Poetry-slams die links en rechts in toenemende mate worden georganiseerd, doet er voor de duur van dit artikel eventjes niet toe.
En dan – zijn gedichten sowieso niet opgebouwd uit effectbejag alleen? Wat is een gedicht anders dan een uitgesproken betekenisoverdracht die zich uit in de taaleffecten ritme en klank? Is het niet zo dat alle gedichten, begrijpelijke en onbegrijpelijke, geschreven lijken voor het podium? Daar klinken zij immers op, en al wat klinkt lijkt zo makkelijk en vanzelfsprekend te zijn. Kijk en luister naar Pfeijffers voordrachten. Het betreft doorgaans duidelijk uitgesproken woorden tenslotte, en woorden zijn niet moeilijk voor wie zijn taal spreekt. Maar hoe zou het toch kunnen, dat wat al lezende soms zo moeilijk lijkt of ondoordringbaar, op het podium zo logisch en vanzelfsprekend klinkt?

Ritme als leidraad

In ‘Het schandaal van de poëzie’, een uitgave die in 1999 verscheen ter gelegenheid van het literair festival Wintertuin, schrijft Parmentier-redacteur J.H. de Roder dat we van gedichten kunnen genieten zonder ze helemaal te begrijpen. Hij haalt zelfs letterkundigen en critici aan, die verzuchtten opgelucht te zijn geweest dat bepaalde gedichten hun magie behielden ondanks hun uitgebreide interpretaties ervan, of het onvermogen daartoe, de gaten erin. In dit fraai uitgewerkte essay neemt De Roder op prettige wijze stelling tegen de heiligverklaring van poëzie-interpretatie alleen: ‘… wat een gedicht tot een gedicht maakt is de ervaring van een gedicht. Buiten die ervaring valt het gedicht, ik zeg het bewust wat provocerend, ten prooi aan een iconiseringsdrift van een poëziebeschouwing als die van […] het gros van wat we tegenwoordig de interpretatieven plegen te noemen (vanaf New Criticism tot nu).’
Aan de basis van deze, zoals De Roder het noemt, bijna lichamelijke ervaring van poëzie, plaatst hij de sturende kracht van haar onderliggende klanken en ritmen, schijnbaar los van de betekenis die zij uitdragen. Een proces dat zeker opgaat voor de dichters tijdens het schrijven van hun verzen – daarbij lijken ritmen en klanken al schrijvende de inhoud en betekenissen aan te dragen en te vormen. ‘Een gedicht doet zich in eerste instantie voor als ritme,’ aldus een opgenomen citaat van Eva Gerlach: ‘Ritme heeft een eigen boodschap.’ Het schrijven van een gedicht is, zo bezien, niets anders dan een cocktail van bewuste en onbewuste overwegingen met het ritme als leidraad, een associatief denkproces met soms onvoorziene uitkomsten in een doorgaans kloppend eindprodukt.
Zelf is het mij bij het schrijven van gedichten dikwijls overkomen dat het uiteindelijke resultaat hemelsbreed verschilde met de ideeën en intenties die ik bij aanvang nog had. Het gedicht was gaandeweg een eigen leven gaan leiden. Zelfs het vasthouden aan vaste versvormen, zoals het sonnet bijvoorbeeld, geeft geen volledige controle over de richting die wordt ingeslagen. De verplichting ergens op een bepaalde klank of ritme uit te komen, stuurt het denkproces en de betekenisvorming. Lees Komrij’s schitterende essay Poëzie is geluk (Bert Bakker, 2000), waarin hij ons een blik gunt in zijn literaire keuken tijdens het proces van het schrijven van een sonnet, waarbij de al geschreven regels het gedicht steeds dringender sturen.
Bij het zogeheten vrije vers is het al niet anders, ondanks de betekenis van het bijvoeglijk naamwoord ervan. Ook het vrije vers zit gevangen in zelfgecreëerde ritme- en klankverwachtingen. Het enige wat je als dichter kunt doen, is het je er voor open stellen, meegaan in het eigen scheppingsproces. Pas achteraf lees je in alle zorgvuldigheid terug wat je, schijnbaar soms onbewust, hebt geschreven, maak je je eigen interpretatie, als iconiseringsdrift met terugwerkende kracht. En hoewel het leek alsof de taal je stuurde, alsof je slechts zijdelings invloed had op de richting die het gedicht insloeg, klopt het meer dan precies zoals het er staat. Het gedicht is doordrenkt met een alles omvattende waarheid voor de duur van het gedicht.
Dit verklaart misschien ook waarom het schrijven van gedichten met zoveel mystiek wordt omgeven; in interviews met dichters valt nogal eens te horen dat de gedichten hen als het ware zijn overkomen, van hogerhand zijn aangereikt of doorgegeven. Ook het schrijven van poëzie doet zich in hoge mate voor als een ervaring.

Zuivere ervaring

Bij het lezen van poëzie verdwijnt het ervaren ervan grotendeels op de achtergrond. Interpretatie is het heilige toverwoord, geconditioneerd als we zijn door het onderwijs met haar prangende tentamenvraag: Wat bedoelde de dichter? Ook poëzierecensies hebben doorgaans meer weg van een optelsom van verstandelijke interpretatieregels, dan van een persoonlijk getint ervaringsverslag van het lezen. Er wordt alleen met het hoofd gelezen, niet met de onderbuik.
Het lezen van poëzie kent verschillende stadia: lezen met het oog, lezen met het hoofd en lezen met de onderbuik. Het begint met de eerste kennismaking met het gedicht; het lezen met het oog. Hoewel de vorm in één oogopslag duidelijk is, lukt het vaak niet het gedicht meteen in zijn volledigheid te bevatten. Er kan al wel een vermoeden zijn van het intrinsieke van het gedicht. De lezer gaat een eind mee met de klankkleur en het taalgebruik van de dichter – bijna zoals de dichter tijdens het schrijven ervan -, maar het oog blijft steken bij vreemde woordcombinaties, opvallende enjambementen, betekenissenkwesties. Het gedicht als geheel wordt nog niet beleefd, er is een vermoeden – een potentiële waardering misschien. Meteen daarop volgt het herlezen, als poging tot verstandelijke omgang met het vers, het willen begrijpen; het lezen met het hoofd. Het gedicht wordt vastgepind met de iconografische penharingen van de poëzie. Of zoals Guus Middag het verwoordt in zijn essaybundel ‘De eerste keer’ (Querido, 1999), als hij het heeft over een lustig klinkende en rijmende, sterren bezingende Beurskens: “We kunnen deze regels ondergaan, als muziek bijvoorbeeld, zoals we de sterren kunnen ondergaan als symbolen van eeuwigheid. We kunnen ze ook achteraf, bij een tweede lezing, woord voor woord analyseren om te zien wat er nu al zingende gezegd wordt, zoals we bij sterren in tweede instantie kunnen bedenken dat wat we zien volgens de wetenschap allerminst eeuwig is.”
Wie na de interpretatie nogmaals leest, en dan het liefst hardop, keert weer terug naar het gevoel van het vermoeden van het gedicht, het eerste lezen. Het lezen met het oog is het lezen met de onderbuik geworden, het bevrijde lezen. De interpretatie kan gemakshalve vergeten worden, die is toch al bekend. De betekenis is ingevuld – voor zover dat mogelijk of noodzakelijk is gebleken – en zit veilig opgesloten in het achterhoofd. Het gedicht kan nu worden beleefd, geproefd, ervaren; woord voor woord, zin voor zin, zonder bewust nadenken, als zuivere ervaring. Als zuivere poëzie.
Dan blijkt ook dat een gedicht meer is dan zijn interpretatie alleen, er zelfs ver bovenuit weet te stijgen. Een gedicht heeft zijn interpretatie slechts zijdelings nodig om toch volledig gedicht te blijven. “Zijn gedichten zijn muziek en filosofie, klank en betekenis, stijl en inhoud, vorm en mededeling tegelijk,” schrijft Guus Middag na het herlezen van Beurskens, om vervolgens na enkele wijze woorden de plank alsnog mis te slaan: “Daardoor wordt het lezen van zijn werk tot een ervaring, een letterlijke gebeurtenis, die niet anders kan worden beleefd dan door het lezen alleen …” Ook Guus Middag geeft hier een voorbeeld af van het heilig verklaren van poëzie lezen alleen, hij lijkt nog nooit bij een voordracht geweest te zijn.

Een continu proces van vermoeden

Juist een voordracht is een uitgelezen mogelijkheid om poëzie te ervaren. Wie poëzie beluistert, heeft nauwelijks tijd of mogelijkheden om tot een afgeronde interpretatie ervan te komen, de beleving wordt veel exclusiever, komt op de voorgrond te staan. Luisteren maakt poëzie tot een zuivere ervaring. Dat wil niet zeggen dat de luisteraar naar een betekenisloze opeenvolging van uitgestoten klanken luistert (dada-optredens daargelaten, daar school de betekenis juist in de betekenisloosheid van de klanken). De betekenis laat zich hoogstens aanvoelen tijdens de voordracht, bijna op een wijze zoals dat voor de dichter heeft plaatsgevonden tijdens het schrijven ervan. Er vindt tijdens het luisteren een continue mini-interpretatie van de tegenwoordigetijdservaring plaats. Het einde wordt nog niet geweten, er is een aanvoelend vermoeden ervan, het begin raakt steeds meer op de achtergrond en wordt al bijna vergeten; de luisteraar ervaart het gedicht dus, staat er tijdens het luisteren middenin. De luisteraar beziet het gedicht van binnenuit. Zoals klanken en ritmen tijdens het schrijfproces het gedicht leken te sturen, zo sturen zij ook het luisteren. De gedichten worden als het ware opnieuw gecreëerd, maar nu voor de luisteraar alleen. In plaats van strak, rechtlijnig denken, dirigeren de klanken en ritmen het denkproces naar de associatieve kant. De luisteraar scheert rakelings langs de taalbetekenissen die hij hoort, zonder tot afgeronde interpretaties te komen. Een continu proces van vermoeden. Aan het eind weet hij niet meer precies wat er gezegd werd, maar wel hoe hij erdoor bevangen raakte, of juist in een bepaalde richting werd afgeleid. Of, zoals iemand mij eens na afloop van een voordracht zei: “Ik weet niet meer waar het over ging, maar wel dat ik het mooi vond.”
Een uitzondering vormt misschien het zogeheten lightverse; dat werkt volgens een bepaald verwachtingspatroon naar de ontknoping toe, de pointe. De ontknoping is de volledige betekenis van het gedicht. Daarmee is het lightverse misschien wel de enige poëzievorm die zich op het podium volledig laat begrijpen op dezelfde wijze als op papier. Ook poëzie met een sterk anekdotische inslag is op het podium vaak goed (lees: rechtlijnig) te volgen, net als poëzie met een ‘verhaallijn’. Maar dat zijn allemaal voorbeelden van de interpretatieve kant van de poëzie, niet van de ervaringskant.
Een complicerende factor is dat er bij een voordracht meer meespeelt dan het gedicht alleen: de voordrager, het voorgedragene en zijn voordracht. Zelfs de medeluisteraars kunnen van invloed zijn met hun oh’s en ah’s of hun gegniffel. En het is niet helemaal eenduidig hoe deze omstandigheden zich tot elkaar verhouden bij het komen tot een waardeoordeel over de voorgedragen gedichten, zelfs niet wat de ervaring mooi maakte of waardevol. Van een dichter die zich met veel gemak en flair over het podium beweegt voor een ademloos publiek, lijken de gedichten al gauw makkelijk, of zelfs simpel. Laat Kees Ouwens echter Kees Stip voordragen en het zal moeilijk en gesloten overkomen. Soms kan de voordracht van een dichter juist een ingang tot het begrijpen van zijn werk bieden bij het lezen ervan. De voordracht kan ook duidelijk maken dat het niet om begrijpen alleen gaat. Zo kan de voordracht de waardering voor de papieren gedichten dikwijls positief beïnvloeden. “Het is zelfs nog erger,” deelde Ilja Leonard Pfeijffer mij na afloop van het debat in Utrecht mee: “tot mijn schande moet ik bekennen dat ik dichters die ik persoonlijk ken, beter ga vinden.”

Een eigen geluid

In Groningen vond in oktober 1999 een Vasalis-memorialdag plaats, een jaar na haar overlijden; een dertigtal dichters droeg het complete oeuvre *) van deze grootmoeder van de Nederlandse poëzie voor, iedere dichter met twee of drie gedichten. Hoewel Vasalis een zeer eigen geluid heeft voor wie haar leest, gebeurde er tijdens de voordrachten iets merkwaardigs vanachter het spreekgestoelte. Het leek erop alsof de dichters zich haar werk begonnen toe te eigenen, alsof niet Vasalis, maar zijzelf haar gedichten hadden geschreven. De gedichten begonnen op hun eigen werk te lijken. Ieder met zijn eigen specifieke kenmerken. De lokale bekendheid wist er een soort tussen-de-schuifdeuren-gedicht van te maken, compleet met Sinterklaasrijm en visuele hulpstukken: “Dit is een touw, sprak de Dood”, en ja hoor, daar haalde hij al een touw vanachter zijn rug te voorschijn. Jean Pierre Rawie en Driek van Wissen maakten er keurige, jambische gedichten met eindrijm van – sonnetten dacht je onwillekeurig. Bij Rutger Kopland transformeerde de gedichten van Vasalis tot lichte overpeinzingen en ogenschijnlijk kleine gebeurtenissen. En de Dichters uit Epibreren wisten ze tot een meezinger en een bombastische gedicht om te toveren, vol effectbejag. Toch; was Vasalis zelf aanwezig geweest met een voordracht, dan had ze er een waar Vasalis-gedicht van weten te maken; van welke dichter ze ook werk had voorgedragen.
“Dat klinkt allemaal wel leuk en aardig op het podium,” mompelde dichter Arjan Witte achter in de zaal, met een fijn gevoel voor statement: “maar ik vraag me toch af wat er van overblijft als je het terugleest.”

Ruben van Gogh
Verscheen eerder in Passionate (2001)

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: