Archeologisch park
oktober 10th, 2011 § Geef een reactie
Zijn het soms de Vikingen geweest, of toch Romeinen,
of anders, daarvoor nog, losse groepen in stamverband,
die voor even in dit omgewoelde land verzeild geraakt
deze omgeving hebben gemaakt tot wat zij is?
Een plek waar bij gebrek aan de eeuwige jachtvelden
die er in lang vervlogen jaren daadwerkelijk waren,
het najagen van wat er allemaal is geweest, nu alleen
nog plaatsvindt in de geest? Ik sta waar eens glas was,
vermoed tuinders, knechten, broeders: voorvaderen
wier bloed, rood en loodzwaar van wie ploeteren moet,
nog doordesemt in mijn aderen — ze roepen mij aan.
Van alle bloedlichamen die in oorsprong van mijn
voorgangers kwamen, hoor ik het ruisen van een groots
fluisteren; voor iedereen te verstaan die wil luisteren.
*
Alles stroomt en aan de oever van de tijd glijdt wat was,
wat is en zelfs wat ooit nog komen zal aan ons voorbij.
De zwaluw die daar laag over het water scheert, scheert
daar morgen weer, zoals zij dagelijks die vele jaren heeft
gedaan dat er niemand was om haar te zien. Maar iedere
keer dat zij een vliegje vangt, verdwijnt daarmee een stukje
tijd; van u, van mij. Wat hier vandaag geplant wordt aan
gewas komt terug op de plaats waar jarenlang wat anders
heeft gestaan — zo zal het ooit ons allemaal vergaan.
We ontnemen telkenmale van het leven de verhalen
die er waren en leggen een nieuwe voedingsbodem aan
waaruit weer nieuwe verhalen ontstaan, maar daar onder
vandaan dringt het voorgoed voorbij verleden zich aan
ons op alsof het nog niet voorgoed voorbij gegleden is.
*
Je kunt er nog meer lagen overheen aanbrengen, alsof
de herinneringen die hier liggen begraven niet bestaan
— zoals je paden kunt creëren die meanderen, alsof onze
wegen die wij gaan dan automatisch mee veranderen.
(Ga je alsnog halsstarrig rechtdoor, komt het je voor alsof
je je juist dán in bochten beweegt.) De aarde uit zichzelf
is leeg, het zijn onze legendes en verhalen die haar vullen,
gelijk legenda’s op kaarten onthullen wat we met het blote
oog ook niet altijd kunnen zien, maar zo wel leren weten.
De aarde kan niet vergeten, zij weet niet wat vergeten is;
wij zijn haar geweten, als wij vergeten wat was, zullen wij
zelf ook worden vergeten. Hoe wanhopig wij ook zoeken,
de bodem omwoelen: pas als wij openstaan voor haar
verhalen, doet het verleden zich voor ons uit de doeken.
*
Die verhalen maak je niet met bulldozers of draglines;
die maak je met bewoners — die repeterende dagloners
van de tijd — zoals je een toekomst maakt met kinderen.
In de nieuwbouwhuizen verderop wordt al wat verleden
opgebouwd: er wordt geleefd, doodgegaan, gescheiden,
weer getrouwd en stof daalt neer, gestaag, bedekt nu
laag voor laag de dagen die elkaar altijd opnieuw najagen.
De woorden die er worden gesproken, slaan er bij neer.
In de tuinen komen prille herinneringen op aan die keer
dat er wat te herinneren gebeurde, een recente gebeurtenis
die een dag inkleurde waarover sindsdien wordt verteld.
Dagen worden weken, en weken maanden, maanden jaren,
en voor je het weet staat wie nu nog kind is als bejaarde
aan het eind van de herfst een nieuw verleden in te staren.
*
Zo heeft hier die Romein gestaan, die Viking, die tuinder,
die knecht, die broeder, scheerde die zwaluw nog een keer
over dat water. Zo sta ik hier nu, en u: wij allen die straks
weer verder zullen gaan. We laten een stukje van ons leven
achter; sedimenten waarin onze verhalen neer kunnen slaan.
Maar, eerlijk is eerlijk, en nu is nu, de tijd staat in het heden
stil, en het is juist in dit heden dat het verleden even spreken
wil. Deze bodem waarop wij staan, is met onze sentimenten
begaan; toont ons ons leven zoals het ons zal vergaan, neer-
geslagen in concrete beelden, als begraven totempalen tegen
het vergeten. Vergulde momenten van een stukje eeuwigheid,
die met het verstrijken van de tijd tot fossiel geworden zijn
van wat huiselijkheid; een versteende futiliteit die onze levens,
al was het maar voor even, de schijn geeft van iets verhevens.
*
Het is belangrijk, omdat ieder van ons iets dergelijks heeft
meegemaakt, het is groots, omdat het aan iedereen raakt, en
het is klein en bescheiden, omdat de wind er overheen blaast,
die waait en tot storm wordt, donderbui, razernij. De wind
die we vergeten, maar in wiens ruisen we weten dat we heten
zoals we heten en waarin we vermoeden dat we uit monde
van ons bestaan vergaan tot hoogstens een naam. Dit moment
wordt tot monument als je jezelf daarin herkent en je inziet
dat je niet zoveel anders bent dan zij die er waren voordat
jij er was. Romeinen, Vikingen, tuinders, knechten, bloed-
broeders, parkbezoekers, vaders en moeders — bewoners.
En ieder voor zichzelf als laatste der Mohikanen begaan met
de kinderen die hier spelen, de zwaluw die een vliegje vangt,
de bewoner die na de herfst een afgerond verhaal verlangt.
Ruben van Gogh